De mens


Ik ben een mens. 

Ik ben voorbestemd voor pikvorken en brandstapels, voor bestormingen en guillotines – voor de opstand. 

Ik ben een mens.

Mijn naam is homo sapiens, ik ben de jongste telg uit de familie van de hominiden. 300.000 jaar geleden keerde ik me tegen mijn naasten. Mijn broertje de neanderthaler sloeg ik de schedel in. Ik nam zijn vrouw en schoot mijn zaad tussen haar benen. Ze baarde mij bastaarden. Ik groepeerde ze in roedels, en ging er andere diersoorten mee te lijf. 
Als mieren stortten we ons op prooien die vele malen groter waren. Uit hun beenderen maakten we huizen, uit hun pels sneden we een tweede huid, een harnas tegen de elementen. 
Als we het ene beest hadden uitgeroeid, vergrepen we ons aan het andere.
Zo trokken we over de aardkorst, al plunderend en moordend. Hele gebieden vraten we kaal. Wouden en moerassen verdwenen onder steden en monumenten, opgetrokken uit de ingewanden van de aarde.
Zulks noemt men vooruitgang

Ik ben een mens. 

Ik ben geketend aan de aarde, en gedoemd om mezelf te bevrijden, om aan mijn kettingen te knagen tot de zon dooft en het stof over mijn botten dwarrelt.
De vrijheid is mijn vloek.
Waag het niet om dat verlangen te doven, om het te temmen en te kooien – want ik ben een mens. 
Denk niet dat ik tegen God rebelleer. God is integendeel een deel van mijn opstand. Hij is mijn handlanger. Hij bestaat echt, ik heb hem tenslotte zelf gecreëerd. Ik weefde zijn beeld uit het spinrag van mijn fantasie en plaatste hem boven de aarde, boven zijn bewoners en boven mezelf. Hij is de hoeder van mijn vrijheid, de maatgever van de kosmos – mijn kosmos. Hij is de bodyguard van mijn rechten: het recht op vrijheid, het recht op controle, het recht om andere dieren te martelen, te wurgen en verscheuren.
Ik ben groter dan God, want Hij is geschapen naar mijn beeld – het beeld van een mens.

Ik ben een mens.

Ik spreek het uit met walging.
Soms wil ik vluchten van mijn soortgenoten, van de andere mensen: van hun kreten en hun zuchtjes, van hun arrogantie en hun plunderzucht. Dan trek ik naar een van die stukjes natuur, ingekapseld in minuscule reservaten, zoals die ook bestaan voor overwonnen volkeren. Dan ga ik onder een wilg zitten, met een bries die door mijn haren waait en de zon die in mijn nekvel bijt. Maar zelfs daar ontkom ik niet aan de zweetgeur van mijn medemensen en het snerpende gegil van hun larven. 
En ik graaf een hol. Ik sluit me op. Diep onder de wortels van de wilg. De geuren van aarde, wortels en wormen zijn m’n enige metgezellen. De mensen zijn zedig afwezig, ver weg op de wandelpaden die door het woud lopen.
Uiteindelijk ruik ik niets – niets dan mijn eigen zweet en mijn eigen zure adem die weerkaatst tegen de wanden van mijn grot.
Niets dan mezelf.

Ik ben een mens.
En ik barst los in tranen en geweeklaag.

Leonardo da Vinci / Public domain
Photo from Luc Viatour / https://Lucnix.be

Vrouw, een ding


Tekst geschreven naar aanleiding van Internationale Vrouwendag op 11 september 2019.

De vrouw is haar eigen parasiet. Haar lichaam is een supermarkt. Haar lippen zijn kussens, waarop de jager-echtgenoot zijn fallus laat rusten alvorens huiswaarts te keren. Mannen laven zich aan haar borsten, zoals zij zich laaft aan het geld uit hun zakken.

Achter zwarte huizenblokken breekt de nieuwe dageraad aan. Het systeem draait door, maar ook machines moeten rusten. 

Ze slaat de deur dicht achter de rug van de laatste man, dimt de lichten en opent de kast. Ze kleedt zich uit, tot op het bot, pulkt aan de ritssluiting boven haar vagina, en in een mechanische beweging trekt ze haar huid over haar hoofd. Het perzikkleurige leer hangt ze aan een kleerhanger tussen kleedjes, slipjes en strap-ons.

Ze stapt in de kast, steekt een stekker tussen haar billen en valt in slaap. Twaalf uur later wordt ze wakker, locked and loaded voor de nieuwe nacht.

love dolls
Nomancam [CC BY-SA 4.0 (https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0)%5D

No Buttocks Blues


‘S Avonds in schemer toen de zon de horizon kuste,
en mijn blik, troebel door hitte en vleselijke lusten,
uitgestrekt op het hoofd van een voorbijganger rustte
die met zijn gulle grijns en huid van tanig satijn
zo leek op de man die ik eens wou zijn.

Die man, zo jong, een jongen bijna, met ogen zo fleurig,
en haren, bruin en geurig, zou weldra geen man,
maar halfgod zijn, waarvoor mijn vezels zouden sidderen,
mijn vingers zouden smachten naar zijn verborgen ravijn,
dat aan geen vrouw is gegeven, slechts aan mij – het ijskonijn

dat met pegels van poten zijn papaver zou plukken,
die onmiddellijk weg zou rukken, als zijn hoofdje
door wintertenen geroerd, zou opkijken naar mij
– het Memento Mori – dat in zijn iris kijkt over
het sneeuwlandschap van mijn ziek gezicht.

Dit alles – God geprezen – was een droom, slechts schijn,
die – indien echt gebleken – louter nachtmerrie zou zijn.

Pieter Van der Schoot – 2 augustus 2019

Gebroken bloem
Photo by Jonas Dautel from Pexels

Anno Zero


Twee tieners, Wes en Mats, stichten de Orde van het Roze Konijn. Om de tijd te verdrijven of om gehoor te geven aan het fabeldier dat in Wes zijn brein leeft? Hoe dan ook, dat een sekte stichten niet zonder gevolgen blijft leren de jongens op de harde manier.

Pieter Van der Schoot slaagde met dit kortverhaal voor de toelatingsproef van de SchrijversAcademie.

I

Wes doet het zo eenvoudig klinken.
‘Breek in bij Willy Borrewaters. Hou je ogen en oren open. Neem iets mee dat bewijst dat je wel degelijk bij hem was. De daimon heeft gesproken.’
Mats blijft enkele seconden roerloos staan. In Wes zijn staalgrijze blik schittert een demonische aanwezigheid. Het is de wiet, denkt Mats, niets anders dan de wiet.
‘Dé Willy Borrewaters?’, vraagt hij.
‘De enige echte.’
Borrewaters. De naam galmt boven het industriële braakland als klokkengelui voor een Vikingaanval.
Willy Borrewaters, ex-para en Rwanda-veteraan, halftijds klusjesman en voltijds brompot in het instituut waar Wes en Mats school lopen. Hij is de man die nooit lacht; die ondanks zijn rijzige gestalte, rosse baard, brede kaaklijn en rode aardappelneus toch eeuwig in de schaduw loopt. Het type man dat je op de parking van een supermarkt tegenkomt met een levensvoorraad wodka in zijn winkeltas. De man die niemand kent, maar waar iedereen over spreekt. Geplaagd door koortsdromen wekt hij zelf nachtmerries op. De man, de mythe, die wordt gemeden als Dracula, en waarmee je evenmin als de graaf uit Transsylvanië ruzie wilt krijgen.
Mats schudt zijn hoofd in ongeloof.
‘Dat meen je niet.’
‘De daimon heeft gesproken’, herhaalt Wes.
Mats rolt zijn ogen en zucht. Hij haat het als Wes zich in zijn rol verliest.
‘En als ik nu eens “Nee” zeg?’
‘Dan zou je de eerste dissident van de Orde zijn’, grijnst Wes, ‘Maar dat ben je niet. De daimon heeft gesproken. Jij zal op missie gaan. Een profetie wacht niet op instemming om zich te voltrekken.’
Mats loopt zenuwachtig heen en weer. Wes volgt hem met zijn ogen. Hij pulkt aan een roze piek van zijn regenboogkleurige punkkapsel.
‘Je gelooft al die bullshit toch niet?’, vraagt hij, ‘Dat hij Rwandese kinderen heeft geroosterd en vodka in hun lege oogkassen goot?’
Mats blijft staan.
‘Geloof jij erin?’
‘Het enige wat ik geloof zijn de getuigenissen die ik met mijn eigen ogen heb gezien en met mijn eigen oren heb gehoord. En dat is heel wat.’
Mats weet dat hij gelijk heeft. Het is nonsens, zever in pakjes. Een verhaaltje dat ouders verzinnen om kinderen in toom te houden, een sprookjesmonster dat een eigen leven is gaan leiden. Infantiel gezeik, bezigheidstherapie voor verveelde plattelandskindjes – even onschuldig als de Orde.
Mats glimlacht.
‘Oké meneer de hogepriester. Als je er zo op staat, dan vertrek ik. Nu. Onmiddellijk. Misschien ben ik terug voor middernacht. Zo niet, kom me vooral niet zoeken. Waarschijnlijk ben ik toch al dood. Opgevreten door een weerwolf of – wie weet? – door Willy Borrewaters in hoogsteigen persoon’
Hij maakt een theatrale buiging, draait zich om en verdwijnt in het bos. Wes kijkt hem na met een bedenkelijk gezicht.

II

Wes kruipt de puinheuvel op. De pieken van zijn regenboogkapsel steken als antennes in de lucht. Hij neemt een metalen cigarillodoosje uit zijn broekzak en gaat zitten. Als een woestijnprofeet tuurt hij naar de sluierwolken die langs de zon drijven. Een leegstaand fabrieksgebouw licht op als een oase van kleur in de industriële wildernis.
Een maand geleden hebben ze het gebouw gekraakt en volgespoten met gele, groene en roze graffiti. Na een inwijding met een emmer water en een verfkwast werd het herbestemd als de Tempel van de Zon; de officiële zetel van de Orde van het Roze Konijn met Wes als hogepriester en Mats als de Uitverkorene. Mats was in lachen uitgebarsten. Wes was boos naar huis gefietst.

Wes opent het doosje en haalt er een joint uit.
‘Hij gelooft het nog steeds niet’, zucht hij.
Het konijn spitst zijn oren.
‘Wees geduldig. Zijn tijd komt nog. Je moet hem alleen wakker schudden. Daarvoor dienen de Missies.’

Wes steekt de joint op. De pretsigaret vlamt voor zijn ogen als een toorts. Hij inhaleert.
Dat ze pelgrims zijn, of liever: krijgers uit de eindtijd – dat weet hij al zijn hele leven. Mats weet het nog niet. De rest mag het niet weten, of ze lachen hem uit – zoals ze altijd hebben gedaan.
Hij wist het al toen hij en Mats als kleuters door velden en straten holden, op zoek naar schatten en draken, terwijl zijn grootouders glimlachend toekeken – vertederd door het kinderlijke tijdverdrijf. Hij wist het toen zijn moeder hem bewonderde om zijn rijke fantasie, terwijl hij gewoon objectief neerpende wat hij elke dag waarnam. Hij wist het toen zijn stiefvader hem krankzinnig noemde en naar een gezichtsloze dokter sleurde die hem lam legde met neuroleptica.
En hij weet het nu, helderder dan ooit tevoren: Het is de daimon die spreekt, de daimon die vlak na zijn geboorte in zijn wieg verscheen als een roos konijntje dat op zijn neus wipte en met een gouden boor een gaatje maakte in zijn schedel. De wonde is al lang hersteld, maar het knaagdier huist nog steeds onder zijn hersenpan. Van daaruit fluistert het zijn gastheer al zijn hele leven de goede boodschap in – gezongen als een slaaplied of gedeclameerd als een Bijbels epos.

Wes ademt uit. Het groene verlangen walmt in cirkeltjes uit zijn mond. De psychedelische pelgrim kijkt over verlaten magazijnen en parkings, over het Albertkanaal, over wegen en weiden die doodlopen in de einder – waar de zon als een afgehouwen kop door het wolkendek valt en verdrinkt in de schoot van de Atlantische Oceaan. Het konijn kijkt mee.
‘Hoor je dat, Wes?’.
Wes richt zijn hoofd op en luistert aandachtig naar de achtergrondruis die verscholen ligt onder het geraas van auto’s op de E313.
‘Het zijn de doodskreten van de zon’, spreekt het konijn, ‘De duisternis heeft geen medelijden. Jij mag ook geen medelijden hebben met de duisternis.’
Wes zucht: ‘Nu niet konijn.’ Hij ritst zijn leren jas dicht en zet een cassettespeler op. Zware electro-punk dondert door de gammele boxen.
De daimon grinnikt: ‘Rust maar uit makker. Rust goed uit. Het is te vroeg. Jouw tijd komt nog.’
Het konijn snuift de groene dampen die dwarrelen in de doodshoofdkamer van Wes. Hij gaat in een tot zetel geboetseerde hersenkwab zitten, en deint mee op de muziek.

Wes ademt het groene verlangen. Het konijn kweelt mee met de lyrics, huppelt uitgelaten over zijn zenuwbanen op het ritme van de beats. De laatste tijd is het dier luidruchtiger dan ooit, alsof het zijn jarenlange stilte wil compenseren.
Een jaar geleden dook hij terug op. De cafés waren gesloten, zijn vrienden zaten op school en Wes zat verveeld op een bank in het bos met een joint in zijn hand. Hij stak ze op en nam zijn allereerste trek. De zon brak door het wolkendek; de zandbodem schuifelde onder zijn voeten en het konijn sprong Bugs Bunny-gewijs uit zijn schedelpan. Het droeg een zonnebril. Zijn roze fluorescerende vacht stak alle kanten uit. Luidruchtig en met een baard in de keel begon hij te spreken. Vanuit zijn psychedelische hersenbastion zendt hij sindsdien signalen uit naar alle vezels van Wes zijn lichaam. De neuroleptische vervloeking is gebroken.

Wes ademt uit en tuurt naar de hemel. De zon is een schijf die doodbloedt in de horizon. Ze wordt omsingeld door de nacht, die elke avond opstijgt uit grachten en bossen, en haar in een gewelddadige paring met de zee drijft. De duisternis smoort het licht, maar de zon zal wederkeren. Morgen. Om kwart voor zes. De daimon heeft het zelf gezegd; hij was verschenen na het journaal van 7 uur, met een weerkaart in zijn rug en de ogen gefixeerd op de nietsvermoedende blikken van TV-kijkend Vlaanderen.
Wes sluit zijn ogen, zinkt weg en wacht. Tot het einde van de missie, tot het einde van de nacht. 

III

Mats waadt door het bos. Varens en takken strijken over zijn blote benen en zijn gezicht.  De modderige bodem zuigt aan zijn gloednieuwe sneakers en hindert hem bij elke stap. Piepkleine insecten vliegen in zijn haren, zijn ogen, zijn mond. Hij zucht.
‘Volhouden Mats. Morgen lach je erom.’
Van alle Missies is dit de ergste, denkt hij. Wiet roken in bossen en ruïnes, graffiti spuiten op verlaten fabriekshallen, hoestsiroop stelen uit de ziekenboeg van de school, getrouwheid zweren aan een gefantaseerd LSD-konijn. Allemaal goed en wel. Het is dat of de weekends hersendood en bierslurpend doorbrengen in schlagercafés en parochiezaaltjes. Nee, dan beter een sekte oprichten om de tijd te doden. Maar inbreken? Bij Willy Borrewaters? Zelfs voor Mats zijn er grenzen.
Toch loopt hij verder. Moeizaam. De roes van cannabis ligt zwaar op zijn hersenen. Het natte gras glijdt pesterig over zijn benen. Boven zijn hoofd smeult het daglicht achter een dak van dennen en berken. Nog even en de nacht valt. In de verte, tussen boomstammen en struiken, schemert een oranjerode gloed.
Midden in het bos bereikt hij een aarden weg. Hij stopt en kijkt om zich heen. Nocturnale wezens ruisen in het struikgewas. Het geluid van goederentreinen, snelwegen, straatkatten, blaffende honden en sirenes komt van ver aanwaaien als een ‘Memento mori’ voor nachtdieren en dissidenten.
Dan wandelt hij verder. Waar de weg een bocht neemt ziet hij enkele bungalows, plompverloren in het dennenbos als brokstukken van een vliegtuig dat zoek raakte boven het Amazonewoud. Het licht wordt scherper, haar herkomst klaart op. Lampions met het kleurenspectrum van een bloedappelsien hangen aan prikkeldraden en rododendrons. Ze begrenzen een lap grond waarop een chalet staat, zwart en massief als een Kempense versie van de kaäba. De andere huisjes blijven onverlicht.
Hij bespeurt de bungalow, instinctief aangetrokken door het mysterieuze schijnsel van de lampions, en schudt zijn hoofd.
Kan niet, denkt hij, Borrewaters zou nooit de moeite nemen om lichtjes in zijn tuin te hangen. Maar waar woont hij dan?
Hij loopt verder langs de andere chalets die met elkaar wedijveren in banaliteit en verkrotting. Overal liggen stapels hout. Netels en rododendrons groeien door omheiningen van prikkeldraad. In elke tuin staat een verroeste barbecue. Onmogelijk om uit te maken waar Willy Borrewaters woont in dit oerwoud van eenheidsworst.
Dan ziet hij het.
Een caravan –  gebroken wit, bijna geel. Tien meter achter een kot dat zo klein en zo vervallen is dat het enkel als tuinhok kan dienen.
‘Willy Borrewaters woont in een caravan in het bos’, fluistert Mats. Hij proeft de woorden, voelt hun ritme op zijn lippen en zijn tong. Het bekt lekker. Het klinkt logisch. Een dronkaard in een caravan. Een verschoppeling die zich terugtrekt in een bos en zelfs daar in de marge leeft.
Hier is het, het kan niet anders.
Hij staat stil, alsof een onzichtbare kracht hem verhindert om naar de caravan te gaan en zijn Missie te voltrekken. De wiet fluistert in zijn hoofd als duizenden geniepige stemmetjes die vragen stellen waarop nooit een antwoord komt.
Wat als hij thuis is? Wat als hij mij in de gaten krijgt? Wat als hij niet thuis is, maar de caravan hermetisch is afgesloten? Wat als alle moeite voor niks blijkt te zijn? Wat als de geruchten waar zijn?
Mats schudt opnieuw zijn hoofd. Sprookjes, denkt hij, niets dan sprookjes.
Met beheerste, ondanks de cannabis opvallend beredeneerde stappen sluipt hij langs de afsluiting van prikkeldraad, rododendrons en brandnetels. Hij nadert een opening in de haag en steekt voorzichtig spiedend zijn hoofd uit.
Twee ogen, groot en rond als gouden schaaltjes, kijken hem aan. Hij schrikt en valt met zijn rug op de grond. Draakachtige klauwen scheren langs zijn gezicht. Een bosuil klapwiekt over zijn borstkas en verdwijnt geluidloos in de nacht. Hij kreunt, trekt zijn neus op en sluit zijn ogen. In zijn schouderblad drukt een kiezel.
Pijn en vocht. Alles is pijn en vocht.
Dan hoort hij een fietser.  De openklappende fietsstandaard galmt door de nacht. Hij schrikt.
Hij is het, het kan niet anders.
Mats blijft roerloos liggen, hopend dat de boeman hem niet zal zien. Vechten moet hij, maar de adrenaline drukt hem weerloos tegen de grond. Hij perst zijn oogleden dicht en hoopt dat de moordenaar zijn tranen niet opmerkt. De voetstappen donderen als aardschokken.
Mats voelt de hongerige aanwezigheid van de dood. Hij ruikt zijn warme adem, hoort de grommende maag, waarin hij vannacht  of ten laatste morgen in stukjes en beetjes zal oplossen. Enkel wat vingerkootjes en teennagels, misschien wat haren van zijn mooie kapsel zullen overblijven, veilig opgeborgen in een urne op het kerkhof. De rest zal oplossen in zuur of roemloos verdwijnen in de stoelgang van een alcoholist. Gedood en vergeten als een Rwandees kind.
Het monster legt een gloeiende klauw op zijn voorhoofd en spreekt.
‘Alles oké?’
De stem is zacht. Hij opent zijn ogen. Een slank en bleek meisjesgezicht kijkt hem aan. Haar lange rode krullen strelen zijn wangen.
Hij knippert met zijn ogen en gaat rechtop zitten.
‘Ja hoor’, zegt hij terwijl hij haar blik ontwijkt, ‘Ik ben gewoon verdwaald.’
Het meisje kijkt zorgelijk van zijn gezicht naar zijn benen en terug.
‘Je bent gewond!’
Ga weg, denkt hij, je brengt ons allebei in gevaar.
‘Niks aan de hand’, stamelt hij en staat recht, ‘Ik moet dan maar eens vertrekken.’
‘Maar je bent verdwaald!’
Hij zwijgt. Schaakmat. Niets zo moeilijk om van je af te schudden als een meisje. Jongens duw je opzij. Meisjes moet je verdragen.
Het meisje schudt haar hoofd: ‘Kom mee. Binnen kan ik je verzorgen.’
Ze wijst naar de bungalow met de lampions, neemt zijn hand en sleurt hem mee in het schemerlicht. Vaardig gidst ze hem door de tuin, die een wildernis van houten planken en tuingereedschap is. Hij wijkt uit voor de steel van een kliefhamer, die met zijn kop in een houtblok steekt, en botst tegen een barbecue.
‘Voorzichtig’, zegt ze, ‘Papa laat zijn spullen wel eens rondslingeren.’
Binnen doet hij zijn schoenen en kousen uit. Zijn voeten kletsen als dode vissen tegen de tegels. Het meisje wijst hem een zetel in de leefruimte aan, gaat naar het kleine keukentje in de hoek en opent een kast boven het aanrecht. Mats gaat liggen, duizend stofdeeltjes vliegen op als zijn verwarde hoofd in het kussen valt.
Hij zucht. De missie is mislukt.

IV

Het is donker als Wes zijn ogen opent. De cassettespeler zwijgt. Het groene verlangen kolkt in zijn brein, wrikt beelden en ideeën los en plaatst ze in nieuwe constellaties. De gedachten zijn zo zwaar dat ze zijn hoofd doen tollen. Het konijn danst eenzaam in zijn hersenpan en schreeuwt:
‘Hey Wes! Alles goed?’
De jongen kijkt om zich heen. Sluierwolken, sterren en de lichtjes van het Albertkanaal vechten om de heerschappij over het nachtelijke firmament. De Tempel ligt verborgen in de schaduw. De pretsigaret is uitgedoofd.
Dan denkt hij aan Mats.
‘Hoe laat is het?’, vraagt hij.
‘Tijd om te wachten, Wes. Heb geduld!’, zegt het konijn.
Uit het bos waait een koude wind die stinkt naar hout en dood vlees. Wes trekt zijn schouders op, plooit zijn benen en omhelst ze. Zijn knieën steken door de gaten in zijn jeansbroek.
Het konijn raast over zijn zenuwbanen; het jaagt op gedachten die het tevergeefs in een samenhangend visioen wil gieten. Gedachten die huilen om aandacht. Wes denkt aan ijskonijnen in arctische holen, die klaar staan om je strot te verscheuren; aan slachtoffers van mislukte lobotomieën; aan bloedzuigers die zich vasthechten tussen je scrotum en je reet; aan meisjes die voor jou op de knieën gaan en op het laatste moment terugdeinzen.
Hij denkt aan Willy Borrewaters die scholieren kookt in vleesbouillon en aan zijn stiefpa die een cake probeert te bakken.
En hij denkt aan Mats – de jeugdvriend, de zeemzoete lachebek – die hij lachend de onderwereld in stuurde, ter wille van een halfbakken knaagdiervisioen; hij denkt aan zijn pretoogjes waar de maden al uitkruipen; aan zijn blauwe lippen, aangevreten door ratten.
Hij snakt naar rust, naar een beetje vreugde in zijn dolle brein en steekt de pretsigaret terug aan. Het groene verlangen waait als een vuurkolk door zijn luchtwegen. Het konijn holt over de schroeiende zenuwbanen. Zijn roze dons is elektrisch geladen. Miljoenen neuronen knetteren in zijn doodshoofdkamer. Kortsluiting.
‘Leg die joint neer, Wes!’
Wes gooit het peukje tussen gruis en kiezels. Het konijn valt uitgeput neer. Zijn oogjes vallen dicht. Zijn stem verstomt.
Wes staat recht en daalt de heuvel af. In de nabijheid van de tempel pikt hij een ijzeren staaf van de grond. Roestschilfers kleven aan zijn handen.
De missie is mislukt, denkt hij, maar dat zal de daimon nooit toegeven. En dus trekt ook hij, de afvallige hogepriester, het bos in – op zoek naar Mats, op zoek naar een vriend.

V

Het meisje heeft zijn benen op haar schoot gelegd. Ze verzorgt zijn wonden met vochtige watten die de bungalow vullen met een zoete ziekenhuisgeur. In een hoek van de kamer zoemt een ijskast als tienduizend krekels. Haar enige assistenten zijn de buislamp boven het aanrecht en de rode gloed van de lampions.
Ze pint haar groene ogen vast op de symmetrie van zijn bronzen hoofd. Hij staart onafgebroken naar het plafond en geeft geen kik als het ontsmettingsmiddel zijn wonden doordringt. Ze weet niet of hij uitgeput of dronken is, maar dat zijn verschijning haar warm maakt, ja dat kan ze niet ontkennen. Ze geniet intens van het contact tussen haar vingers en de gespierde kuiten van de jongen.
Zijn ademhaling is lang en diep als de golfslag van zijn bruine haren. Minuten kruipen voorbij als uren. Het meisje sluit het flesje iso-Betadine.
‘Ik heet Amber’, zegt ze.
Hij richt zijn hoofd op. Steunend op zijn ellebogen bekijkt hij haar van kop tot teen alsof ze een specimen van een buitenlands ras is.  Dan ploft hij zijn hoofd terug in het kussen, en blaast een nieuwe stofwolk de kamer in.
‘Mats’, zegt hij en wacht enkele seconden alvorens er een afgemeten ‘aangenaam’ aan toe te voegen.
Amber zet de watten en het ontsmettingsmiddel opzij. Ze duwt zijn benen van haar schoot, staat recht en loopt naar de ijskast. Mats kijkt even verward, maar gaat dan rechtop zitten.
‘Wil je iets drinken?’, vraagt ze.
Hij zwijgt.
Bier, denkt ze, jongens houden van bier.
Even later keert ze terug met twee geopende blikken. Verbaasd opent ze haar mond als ze hem in de zetel ziet zitten. Met een hand klemt hij zich vast in het stof; de andere houdt hij bevend voor zich uit gestrekt. Zijn wijsvinger trilt als een wichelroede. Hij kijkt naar een Afrikaans masker en de foto van een roodharige man en een twaalfjarig meisje. De man en het meisje lachen naar de camera. Zijn handen rusten op haar tengere schouders.
Mats stottert: ‘Dat is, dat is…’
‘Mijn vader’, vult ze aan, ‘Ken je hem?’
Hij laat zijn arm zakken. Zijn mond valt open.
‘Is dát jouw vader?’
Amber slikt. Zijn toon bevalt haar niet. De warmte trekt uit haar handen. Het bier wordt lauw, haar vingers koud als ijs.
‘Dat is mijn vader, ja. En dan?’
Mats springt uit de zetel, gaat voor haar staan en neemt een blik uit haar hand. Amber kijkt hem verbaasd aan, terwijl hij het bier gulzig opdrinkt en een boer onderdrukt. Dan bloost hij en houdt zijn hand voor zijn mond. Zijn kastanjebruine puppyogen kijken haar onderdanig en schuldbewust aan.
‘Sorry’, mompelt hij, ‘Jouw vader is conciërge op mijn school, en…’
Ze drinkt van het andere blik en glimlacht:  ‘Dat verklaart alles.’
‘Het is gewoon…’, stamelt hij, ‘Jouw vader… en de school. Als hij mij herkent…’
Amber verdrinkt in het bloedrode vocht van zijn ogen. De alcoholische warmte stijgt omhoog, drukt tegen haar schedelpan en zakt in haar armen. Ze betast de rug van zijn hand met een zorgzaam pinkje.
‘Hij is er niet’, zegt ze.
Zijn onderlip trilt als een regenworm in doodsangst.
Amber giechelt. Ze gaat naar de achterdeur en zet de kap van haar groene mantel op.
‘Kom je mee?’, vraagt ze, ‘Ik wil de sterren zien.’

VI

Even later schommelt ze in een hangstoel aan een notenboom. Haar kapsel stroomt als een rode waterval uit haar mantel.
Mats staat tussen het gras en ziet haar blanke benen door de boslucht klieven. Hij begrijpt niets van dit onpeilbare wezen. Dit meisje dat hij nooit eerder zag. Niet in het dorp waar hij woont, noch in de school waar haar vader werkt.
Hij denkt aan de foto en vraagt zich af hoe zo’n afzichtelijk schepsel zo’n mooie dochter kan fabriceren. Heeft ze de aard van haar moeder? Is ze geadopteerd? Kan een orchidee wortel schieten in een braakland van netels en pisbloemen? En hoe kan hij ooit aan Wes bewijzen dat hij hier is geweest? Hij kan toch moeilijk haar ondergoed stelen?
Amber schommelt. Haar benen slingeren als een pendule voor zijn uitgehongerde ogen.
‘Kom je erbij?’, vraagt ze – wijzend naar het kussen dat naast haar ligt, ‘Er is plaats genoeg.’
Mats trappelt ter plaatse. Zijn voeten slurpen in de natte aarde.
‘Ik moet eigenlijk echt naar huis’, mompelt hij.
Amber kijkt naar haar horloge.
‘Maar het is nog geen half elf?’
Ze glijdt uit de stoel, gaat recht voor hem staan en trekt aan de mouwen van zijn fleece, alsof hij een heliumballon is die elk ogenblik de ether in kan schieten.
‘Alsjeblief. Blijf nog even. Was je niet verdwaald? Ik wijs je de weg wel.’
Amber perst een glimlach op haar gezicht. Haar smalle pupillen priemen in zijn weke pelgrimshart. Hij twijfelt. Het vogelperspectief waarmee hij naar haar borsten kijkt overtuigt hem om te blijven.
‘Oké’, zegt hij, ‘Maar niet te lang.’
Amber veert recht en gaat opnieuw in de hangstoel zitten. Mats bezet het lege kussen naast haar. Ik ben te goed voor deze wereld, denkt hij, terwijl zijn benen slapjes in de lucht wapperen.
De tuin is een savanne in volle bloei. Bloemkopjes steken uit boven de grasvlakte. De tuin baadt in het zondige licht van lampions.
Mats voelt hoe het woudvocht zijn botten binnendringt. De minuscule haartjes op zijn benen staan recht. Hij glimlacht als Amber een stuk van haar mantel over zijn schouders legt. Het helpt niet tegen de kou, maar zo heeft hij wel een beter zicht op haar borsten. Zij ademt diep en tevreden.
‘Waarom schrok je zo?’, breekt ze de stilte.
De vraag vliegt als een opengesperde hand naar zijn strottenhoofd. Hij stottert.
‘S-schrikken? Wanneer? Waarom zou ik schrikken?’
Amber leunt tegen zijn schouder. Haar borsten lonken wreed en onbereikbaar.
‘Mijn vader’, zegt ze, ‘Ken je hem?’
Mats slikt. De hand perst zijn keel dicht. Hijgend en piepend strompelen de woorden over zijn lippen.
‘Ik zei het al. Hij werkt op mijn school.’
‘En dat is alles?’
‘Dat is alles.’
Mats kijkt van haar ogen naar haar borsten en terug, en vraagt zich af waarom meisjes er altijd op uit zijn om je ziel te verslinden, je weke delen bloot te leggen en eraan te pikken als gieren. Hij drukt zijn kaken op elkaar en ademt diep in. Dan vermant hij zich en kijkt haar in de ogen: ‘Kijk, jij kent hem beter dan ik. Je weet wat mensen van hem denken.’
Ze knijpt in zijn hand: ‘Ik wil weten wat jíj van hem denkt.’
Hij staart voor zich uit. Wat moet hij antwoorden? Hij, de goedlachse skater, nooit verlegen om een stunt; nooit uit het lood geslagen voor welke bangmakerij dan ook. Nooit dichter geweest bij het ultieme stadium van mannelijkheid. Nooit betrapt op een originele gedachte.
Hij denkt na. Hoe zei Wes dat nu weer? Juist ja.
‘Ik geloof’, begint hij. Hij schraapt zijn keel. Ambers verwachtingsvolle blik houdt hem in een wurggreep. ‘Ik geloof enkel wat ik met mijn ogen kan horen en mijn oren kan zien. En dat is meer dan genoeg.’
Ze giechelt. Het geluid prikt als een naald in zijn ego. Hij loopt leeg als een luchtballon. Enkel zijn libido blijft achter, sluimerend onder zijn kale ribbenkast.
‘Heb je dat zelf verzonnen?’, vraagt ze.
‘Ergens gelezen’, liegt hij.
Haar pinkje streelt zijn dijbeen. Mats voelt haar warme lichaam steeds harder tegen zijn arm drukken.
‘Je bent zo schattig’, zucht ze.
Mats knippert met zijn ogen. Is dat een compliment? Wat moet hij met een compliment?
Hij bloost en forceert een glimlach. Ze legt haar hoofd op zijn schouders. De mantel valt van haar borsten, wat hem de kans geeft om haar heuvellandschap te beschouwen. De perfecte heuvels, denkt hij. Geen zandduinen, of sneeuwtoppen, maar grafheuvels voor oude koningen. Niet te groot of te klein, maar de perfecte middenmaat.
‘Dus, je bent alleen thuis?’, vraagt hij.
Opnieuw lacht ze. Haar vingers tokkelen op zijn dij.
‘Zou ik jou naar binnen brengen als het niet zo was? Of denk je dat ik een sirene ben die verdwaalde reizigers lokt?’
Ook hij lacht.
‘Dat klinkt aannemelijk’, zegt hij en vraagt zich af wat een sirene is.
Ze legt haar kin op zijn schouder en fluistert in zijn oor: ‘Hij is er niet.’ Haar hand kruipt dichter en dichter en knijpt zachtjes in zijn benen.
Mats draait zijn hoofd. Hun neuzen betasten elkaar als snuffelende honden. Zijn libido pompt vuur en adrenaline waar eens zijn ego zat. Hij neemt haar schouders vast. Haar lichaamswarmte ontdooit zijn kille handen.
‘Wat mensen ook zeggen over jouw vader’, zegt hij, ‘Zijn dochter is een toffe griet.’
‘Slijmbal’, grijnst ze. Haar hand sluipt verder omhoog. Met haar duim streelt ze de ritssluiting van zijn broek. Ze duwt haar lippen op de zijne, opent haar mond en neemt zijn warme tong gretig in ontvangst. Mats worstelt zijn handen in haar rode haren. Een enorme magmadruk duwt tegen zijn katoenen boxershort. Haar vingers volgen de contouren van zijn geilheid, frutselen zijn broek open en geven ademruimte aan zijn lid.
Met zijn handen nog steeds verdwaald in de roodharige wildernis verplaatst hij zijn mond van haar lippen naar haar nek. Zijn lippen zuigen zich vast in de tedere perzikhuid. Haar hals ademt het aroma van meisjeszweet en kamperfoelie.
Dan rukt ze zich los uit zijn greep en gaat rechtop voor de hangstoel staan. Mats valt achterover. Met opengesperde benen schommelt hij aan de takken van de notenboom. Zijn lul dringt zich op aan de koude lucht. Ze zet de groene kap op haar hoofd, opent haar mantel, ontbloot de gegeerde middenmaatborsten en laat ze zelfbewust pronken in het centrum van zijn blikveld. Mats vergaapt zich aan hun perfecte rondingen, en aan de pronte, stijve tepeltjes die scherp genoeg zijn om zijn ogen uit te steken.
Wauw, denkt hij, driewerf wauw!
Met zijn mond opengesperd blijft hij zo enkele seconden liggen.
Amber fronst.
‘Komt er nog iets van?’
‘Ja!’, zegt hij, ‘Ja natuurlijk.’
Hij staat recht, legt zijn armen op haar schouders en kust haar vluchtig op de mond. Hij buigt zich voorover en begint aan haar tepels te sabbelen – instinctief en onervaren als een pasgeborene, maar veel onhandiger.
Hij kijkt omhoog. Haar groene ogen rusten als lood op zijn hoofd.
Nog even, denkt hij, nog even en ik ben eindelijk een man. Wacht tot Wes dit hoort. Misschien moet ik dan toch haar onderbroek stelen – als bewijsmateriaal?
Amber wrijft door zijn kastanjebruine haren; de stomme bruine puppyogen kijken haar geil en gretig aan, terwijl zijn tong rondjes loopt in haar tepelhof.
Saai, denkt ze, maar een vluchtige blik op zijn paardenlul, die lomp en ongecontroleerd tegen zijn dijen kletst, stemt haar hoopvol. Aan het tipje van zijn eikel kleven de eerste voortekenen van de komende eruptie.
Jongens zijn zo gemakkelijk, denkt ze. Ik kan al niet wachten om het aan Sanne te vertellen. Hopelijk heeft hij zijn ballen ges…

VII

De daimon wordt wakker. Zijn doodshoofdkamer davert op zijn grondvesten. Hij stapt uit de hersenkwabzetel, strekt zijn pootjes en wrijft de slaap uit zijn ogen.
‘Ik kan niet slapen, Wes!’, roept hij, ‘Wat is er aan de hand?’
Hij gaat op zijn achterste poten zitten, steekt zijn snuit in de lucht, snuffelt en spitst zijn oren.
Geen antwoord.
Dan gaat hij naar de troebele ogen van zijn gastheer, veegt de aangedampte lenzen schoon en kijkt. Wes rent door varens en bramen, manshoge struiken slaan op zijn wangen, zijn All Stars versmachten in modder en mos, takken breken onder zijn gewicht.
‘Wes, wat doe je?’
‘Ik zoek Mats.’
‘Mats is op missie.’
‘De missie is mislukt!’
‘Mislukking is de vader van alle wijsheid’, zucht het konijn als een uitgeblust orakel.
Wes luistert niet en loopt verder. Het konijn keert terug naar zijn doodshoofdkamer.
Mensenkinderen, denkt hij, altijd zo eigenwijs.
Hij gaat in de zetel liggen, zet zijn gettoblaster op en tracht rust te vinden in het eerste celloconcerto van Sjostakovitsj, maar vindt ze niet.
Plots valt een rood schijnsel door de ogen van Wes zijn schedel binnen. Heel vaag, maar sterk genoeg om het konijn uit zijn sluimer te schudden. De daimon huppelt opgewonden naar de oogkassen en kijkt naar buiten.
Wes is een landweg opgelopen. Doorheen de naaldbomen schitteren tientallen oranjerode lichtjes. De daimon heft zijn hoofdje. Hij detecteert de tekenen met zijn snorharen en springt tegen de schedelpan van de jongen als een pingpongbal op XTC.
‘We zijn er! We zijn er!’
Wes fronst de wenkbrauwen. Het grillige gedrag van zijn reisgenoot werkt op zijn zenuwen. Hij stopt, plaatst de ijzeren staaf tegen een boom en opent zijn rits.
Het konijn reageert onthutst: ‘Hey, wat doe je?’
‘Ik moet pissen.’
‘Ga verder, verdomme! We zijn er bijna!’
Wes kan zijn lul met moeite vasthouden. De aarde ritselt onder zijn voeten; het dak van naalden en takken kreunt boven zijn hoofd. Hij plast, maar weet niet waarop of waarin.
‘Ga verder!’, roept de daimon, ‘Het einde is in zicht. De tijd is beperkt. Ga verder! Het is een bevel!’
‘Maar je zei dat het nog te vroeg is?’, zeurt Wes, ‘Mats weet amper waar hij aan toe is. En ik heb buikpijn.’
Het konijn haalt een sigaret uit een pakje Gauloises en loopt naar zijn cockpit in de frontale hersenkwab.
‘Begrijp je het nu nog niet?’, zegt hij, ‘Een profetie schikt zich niet naar menselijke verwachtingen.’ Hij steekt de sigaret op en trekt aan een hendel, die een adrenalinepomp in Wes activeert en hem onherroepelijk in de richting van het helse licht stuwt. Wes plast op zijn schoenen.

De bungalow doemt op als een zwart gat in een zee van licht. De daimon kijkt naar buiten. Met zijn voorpootjes trekt hij de pupillen van Wes wat verder open. Zijn doodshoofdkamer baadt in bloed en vuur.
Wes loopt door een opening in de afsluiting. Hij wil recht naar de achtertuin lopen, maar het konijn duwt een rempedaal in en laat hem bruusk tot stilstand komen. Dan draait hij een stuur naar rechts en laat de jongen door een raam van de bungalow kijken. Hij kijkt door de pupillen, scant de kamer en zoomt in op een foto aan de muur.
‘Dichter, Wes! Ik wil zien wat er op staat.’
‘Mijn neus duwt tegen het glas’, jammert Wes.
Het konijn gaat achter zijn oogballen staan, duwt ze iets verder uit hun kassen, haalt zijn verrekijker boven en inspecteert de foto. Dan begint hij wild op en neer te huppelen.
‘Hij is het! Hij is het!’
En plots ziet ook Wes hem: Willy Borrewaters. Op een foto aan de muur. De groene ogen van zijn duivelstronie schroeien gaten in het papier. Zijn klauwen rusten op de frêle schouders van een minderjarig meisje. Hij grijnst schuldbewust en onbeschaamd. Slechts een conclusie galmt door zijn hoofd: Willy Borrewaters is de Antichrist, het addergebroed, de incarnatie van de nacht. Hij die elke nacht de zon smoort en niet zal rusten tot de aarde in duisternis sterft.
Uit de achtertuin klinkt gegniffel en gekreun, een mond die luid slurpt. Wes voelt zijn ballen krimpen. Het konijn balt zijn poten tot vuistjes.
‘Het is tijd, Wes. Veel vroeger dan ik dacht, maar het is tijd. Ga ervoor. Geen medelijden met de nacht!’
De jongen jammert: ‘Maar ik ben niet klaar.’
De daimon antwoordt niet. Hij zuigt aan zijn sigaret, steekt een losliggende kabel in zijn hersenschors en jaagt een stroomstoot door het jonge lichaam. ‘Hold onto your butts!’, schreeuwt hij terwijl Wes naar achteren marcheert.
Meer tekenen van de satanische aanwezigheid duiken op: de kliefhamer waarmee hij de weke ribbenkastjes van kleuters verbrijzelt; een houtzaag om de lijken van jonge vrouwen in stukken te snijden; de barbecue waarop hij hun ledematen roostert; en emmers met genoeg rattengif om een bejaardentehuis uit te roeien. De daimon leunt achterover. Zijn doodshoofdkamer ruikt naar marihuana en geroosterd mensenvlees.
Dan zien ze hem, met zijn rug naar hen toegekeerd, onder een boom aan de overkant van een verwilderd grasperk: Willy Borrewaters. Zijn blauwe werkoverall heeft hij ingeruild voor een mantel die als een groene schaduw over zijn schouders valt. Hij buigt zich over een gehurkte, halfnaakte jongeman die hij rauw verslindt. Wes herkent de blauwgroene fleece van het slachtoffer en blokkeert. 
‘Dood hem!’, schreeuwt het konijn.
Wes jammert: ‘Maar het is nog geen tijd.’
‘Dood hem! Het is een bevel! De tekenen zijn rijp. Zie je niet hoe het monster zich tegoed doet aan het vlees van de Uitverkorene? Hoe hij het Licht van de Mensheid wil doven in dat hoerige rode IKEA-schijnsel, dat flauwe afkooksel van echt zonlicht? Hoor je niet hoe het rosse beest zijn hersenen uit zijn neusgaten slurpt? Dood hem en maak de profetie waar! Voor het te laat is en de zon voor eeuwig en altijd begraven ligt op de bodem van de oceaan.’
Wes betreedt het grasveld. Hij houdt de staaf stevig vast, neemt een korte aanloop, richt, en alsof de jongen met de regenboogpieken nooit iets anders heeft gedaan gooit hij de roestige speer over de hele diepte van de tuin, door de klamme atmosfeer, door de groene cape, en recht door de schedel van het beest. De staaf verpulvert de hersenmassa, verlaat de kop langs de voorzijde en spijkert een oogbal in een notenboom.
‘We got him!’, juicht het konijn, ‘Eindelijk! Eindelijk! Eindelijk!’
Het konijn bonst uitbundig tegen zijn schedelpan, neemt een LSD-blotter dat hij tussen zijn pootjes bewaarde voor dit moment, en jaagt de Walkurenrit van Richard Wagner door zijn gettoblaster met de volumeknop naar rechts gedraaid.

VIII

Met de broek op de enkels valt hij achterover. De wiebelende hangstoel slaat tegen de achterkant van zijn hoofd. De schok rukt haar tepel uit zijn mond, werpt haar mooie lichaam over hem heen en parkeert haar schaamstreek tegen zijn neus. Haar ondergoed ademt het aroma van overrijpe camembert. De slanke armen wiegen als wilgentakken langs zijn hoofd.
‘Amber?’
Mats ademt onrustig, kruipt onder het meisje vandaan en houdt zijn handen voor zijn mond. Ze hangt aan de boom als een zeug aan een vleeshaak. Haar rode hoofd gloeit in de schemer.
‘Mats!’
Wes stapt geruisloos door het gras. Hij strekt zijn vingers. In zijn regenboogkapsel kleven dennennaalden, stukjes schors, gras. Hij lacht.
‘Je leeft!’, roept hij, ‘Mats, je leeft!’
Mats krimpt. Zijn ribbenkast trekt samen rond zijn ingewanden en perst de lucht uit zijn longen. Hij grient en zakt ademloos door de knieën; zijn lid valt slap neer tussen het natte gras.
Wes staart triomfantelijk naar zijn Grote Daad. Naar de speer die door de schedel van zijn existentiële antagonist steekt. Hij trekt de kap van het hoofd opzij, kijkt naar de glanzende krullen, de zachte, met sproetjes besprenkelde wangen, en de groene schittering van het overgebleven oog in het jonge meisjesgezicht. Hij deinst terug, hinnikt, giechelt, schreeuwt en slaat met zijn vuisten tegen zijn slapen.

De daimon dondert van zijn hersenkwab. De gettoblaster valt van het salontafeltje in de rechterhersenhelft. Hij loopt naar de oogkassen en kijkt naar buiten door de opengesperde pupillen. Traanvocht bemoeilijkt zijn zicht, maar ook hij ziet de vergissing nu met eigen ogen.
‘Het is allemaal jouw schuld!’, roept Wes.
Het grimmige konijn holt als een haas naar het centrum van zijn brein en kruipt in een cabine ter hoogte van zijn amygdala. Hij plooit zijn oortjes naar achteren en bevestigt zorgvuldig een helm op zijn tere hoofdje. Dan riemt hij zich vast aan een stoel, controleert zijn overlevingspakket en trekt aan een hendel. De doodshoofdkamer knettert. Zijn gastheer schreeuwt van de pijn als het konijn met amygdala en al door zijn hersenpan breekt en het bos in vliegt.
‘Sayonara motherfuckers!’, roept hij, met een sardonische grijns die zijn gele konijnengebit blootlegt.
‘Lafaard!’, schreeuwt Wes, ‘Lafaard!’
‘Sorry Wes!’, roept het konijn, ‘Ik heb mij vergist. Blijkbaar zijn jullie toch niet de uitverkorenen.’

Het konijn landt zachtjes in het bos, plooit de parachute dicht, graaft zich een onderaards holletje en verspreidt de inhoud van het overlevingspakket op de aarden vloer: wortels, stro, een vijl om zijn tanden te slijpen, water, een gram marihuana, een slaapzak en een gouden boor die hij liefkozend onder zijn matras bewaart.

UITSMIJTER: THE BUNNY STRIKES BACK

Ester wandelt door het bos. Een blonde golden retriever trekt haar kwispelend verder aan zijn leiband. Ze doet wanhopige pogingen om de hond in te tomen.
‘Rustig, Max! Rustig’.’
Laura, haar dochter, huppelt voor hen uit. Af en toe stopt ze, kijkt dan nieuwsgierig in het struikgewas naar een opvallend, ongekend wezen. Soms pakt ze het diertje op. Als haar curiositeit bevredigd is, zet ze het terug en holt verder.
De zon werpt haar stralen door de sluier van takken en naalden die over hun hoofden wiegt, en kerft ze in hun blanke huid. De zomer is vroeg dit jaar.
Uit de verte komen sirenes hun richting uit.
Ester roept: ‘Even opzij gaan Laura!’
Het meisje kijkt achterom en gehoorzaamt. Haar mondje hangt vragend open. Ester duikt in de varens en weet net op tijd de hond mee te sleuren. Een ambulance en een politiecombi stuiven huilend over de bosweg en laten moeder, dochter en huisdier achter in een wolk van zand.
‘Is er iets gebeurd, mama?’, vraagt Laura.
Hier gebeurt nooit iets, denkt Ester.
‘Niets aan de hand, schattebol. Waarschijnlijk een wielrenner die van zijn fiets is gesukkeld. Er zijn hier veel fietsers op een zondag.’
Laura fronst bedenkelijk. Maar voor ze een volgende vraag kan verzinnen, is haar aandacht weer afgeleid. Door een vogel, een hommel of een bloem die ze nooit eerder zag. Ester kan het allemaal niet bijhouden.

Laura raast over het pad. Ze voelt zich de ontdekker van een groot regenwoud. Haar hoofd krioelt met tientallen onontdekte soorten. In elk gat, achter elke struik, onder iedere uitstekende wortel huizen horden onbekende, kruipende, krioelende, trappelende wezentjes die ze nooit te zien krijgt op TV of in haar kleurboeken.
Plots ziet ze een roze schijn. Ze draait haar hoofd, werpt haar oog op een pluizig bolletje aan de voet van een berk en holt het bos in.
‘Op het pad blijven, Laura!’
Maar ze luistert niet en stopt pas om zich te buigen over een minuscuul wezentje, rozig en week. In zijn hoofdje blinken gitzwarte oogjes. Hij blijft onbewogen zitten.
‘Mama!, roept ze, ‘Mama! Kom kijken!’
Ze steekt haar handje uit. Het diertje waggelt haar tegemoet en besnuffelt haar. Het op en neergaande snuitje kietelt haar vingertoppen. Even later voelt ze de hete adem van de golden retriever in haar nek. Haar moeder volgt hijgend.
‘Laura, ik heb je nog zo gevraagd om op het pad te blijven.’
‘Mama, kijk!’
Het meisje staat recht. In haar opengevouwen handen zit een piepklein, roos konijntje.
‘Mag ik het houden?’, vraagt ze.
Haar moeder kreunt: ‘Laura, we hebben al een hond, twee cavia’s, goudvissen en een pony. Waarom wil je een konijn?’
‘Maar het is ziek. Kijk mama!’
Ester kijkt naar het vreemde donsbolletje. De ogen schitteren als knikkers, een schittering die haar weke moederhart raakt. Waarschijnlijk een uitgezet exemplaar, denkt ze. Geen enkel wild konijn heeft zo’n gekke kleuren, of is zo tam. Als ze het dier hier achterlaat overleeft het geen dag. Zij weet dat. Zij weet dat Laura dat weet.
‘Vooruit dan maar’, zegt Ester. Laura lacht en maakt een enthousiast sprongetje; haar blonde vlechten wiegen opgewonden mee. 

Terug op het bospad streelt ze het diertje met haar wangen. Ze zoekt niet langer naar onontdekte dieren en planten. Het konijn gaat met alle aandacht lopen en als een immaterieel koekoeksjongen verdringt het de tientallen krioelende soorten uit Laura’s kneedbare hoofdje.
‘Hoe ga je hem noemen’, vraagt Ester.
‘Ik noem hem Snuffel. Of Roderik.’
‘Roderik? Voor een konijn?’
Haar moeder fronst.
‘En als het een meisje is?’
‘Daisy!’
Mijn naam is haas, denkt het konijn en kruipt dieper in haar hals die ruikt naar zweet en zonnecrème. Hij legt zijn voorste pootjes in haar nek, strekt zich uit en besnuffelt haar witte haren. Met zijn tongetje kietelt hij haar hoofdhuid. Laura lacht. Het konijn lacht mee. Tussen zijn tenen blinkt het gouden topje van een minuscule boor.

De Orde van het Roze Konijn
De Orde van het Konijn in het centrum van Antwerpen

Zaterdagavond


Op zaterdagavond blijf ik thuis. Kennissen en vrienden blijven me vragen om eens mee te gaan op café of naar een dancing. ‘Eén keer, Pieter. Eén keer!’, dringen ze dan aan. Alsof ik nog nooit in het uitgaansleven ben verzeild geraakt. Alsof ik geen enkele ervaring heb met de ‘scherpe tortuur’ die mij daar te wachten staat.

Want uitgaan is de keuze tussen twee kwalen. Ofwel onderga ik bloednuchter de kwelling van kleverige vloertegels, de olfactorische foltering van lauw bier, zweet en natte winden, en het bombardement van flauwe dancebeats van een stel MDMA-verslaafden die de volgende Dimitri Vegas en/of Like Mike willen worden, om maar te zwijgen van de macho’s, de handtastelijke nichten, de breezersletjes en de voltallige cast van Temptation Island.

Ofwel probeer ik de foltering af te wenden met drank. Zoals een patiënt nood heeft aan sedatie om een operatie zonder trauma’s te doorlopen, zo drink ik mezelf te pletter om de dansvloer te overleven. Die tactiek is niet zonder risico’s. Jim Morrison zei het al: Drinken is gokken. Je weet waar je begint, maar je weet niet waar het eindigt.

En dus blijf ik liever thuis. Tussen boeken, asbakken, blanke muren en gesloten gordijnen. De menselijke contacten zijn minimaal, ongecompliceerd en bevredigend op het meest basale niveau. Slechts twee mensen krijgen toegang tot mijn bestaan: de Deliveroo-leverancier die niet verder komt dan de dorpel, en een gigolo die soms de weg naar mijn slaapkamer vindt.
De leverancier krijg je er gratis bij als je een pizza bestelt bij pizzeria Don Juan, maar tot meer dan wat terloops oogcontact kon ik die tot nu toe moeilijk verleiden.

De gigolo ontdekte ik enige tijd geleden op Amazon. Zijn naam is Esmeralda. Hij is een occasie, goed ingereden en al meermaals van eigenaar gewisseld. Doch grote kosten zijn er niet aan. Afgezien van enkele wisselstukken is hij volkomen gaaf. Ondanks zijn 28 lentes wipt hij nog steeds als een jong konijn.

We spreken maandelijks af. Soms tweewekelijks, als ik mijn vakantiegeld of eindejaarspremie heb ontvangen. Onze omgang beperkt zich tot het strikt noodzakelijke: zuigen, poepen, betalen, oprotten. Cum ‘n go zo je wilt. Een soort park ‘n ride voor seksueel gefrustreerden met een beetje spaargeld.

Een keer hield Esmeralda me langer gezelschap. Toen dronk hij muntthee en rookte een cigarillo. Hij keek door het raam en speelde met de uiteinden van zijn krulsnor. Zijn benen waren gekruist, wat me een mooi zicht bood op de harige dijen onder zijn rode jurk.
Veel hadden we elkaar niet te melden, maar dat wilden we niet toegeven. En dus putten we ons uit in geleuter en larie, faits divers, eindeloze herhalingen van het weerbericht in andere verwoordingen, persoonlijke voorkeuren die het vermelden niet waard zijn. Dit naspel was overbodig, kostte me een smak geld en is dus niet voor herhaling vatbaar.

Zo spendeer ik mijn weekends. Eenzaam en geïsoleerd, als een kluizenaar in de stedelijke wildernis. Want ik prefereer contemplatieve stilte boven verstommende drukte; de volheid van het moment boven het menselijke gepraat; dierlijke eenvoud boven menselijke trots. Diep vanbinnen ben ik immers een denker, een monnik. Of misschien gewoon een asociale klootzak.

Zaterdagavond, DJ in een nachtclub

Bird is the word



Bird on the ground
aldesteinemanuel326 [CC BY-SA 4.0 (https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0)%5D

Eerst was er ecstasy en coke, dan waren er bakfietsen en elektrische wagens. Maar sinds kort heeft de Antwerpse bobocratie een nieuw tijdverdrijf: de BIRD. Alle bakfietspiraten, yogasnuivers,vastgoedmaffiosi en ongeneeslijke hipsters zijn er dol op. ‘S Morgens zie je hem rondzoemen in de straten van de Metropool, meanderend tussen de rookpluimen van uitgebrande voertuigen en schietpartijen tussen drugbendes . 

Alles wat ik verafschuw, alles wat vals en onecht is, is gematerialiseerd in deze elektrische deelstep die haar merknaam als een hakenkruis op haar bar draagt. Vroeger stikte de Antwerpenaar in fijnstof, vandaag verzuipt hij in het snobistische parfum van Bird-extremisten.

Bird is alles, alles is Bird. Zelfs ik en mijn vriendin, zijn voor zijn charmes gezwicht, ofschoon we de ultieme anti-hipsters zijn. Ik zet lege zakken recht bij een fabrikant van beschermhoezen voor parasols. Shanti is een Haïtiaanse voodoopriesteres. 

Het gebeurde tijdens een zomerse avondwandeling op het Eilandje waar we een afgetrainde blondine in zwarte leggings en met een Ray Ban-zonnebril op haar hoofd gadesloegen. De trut praatte door haar AirPods over optimalisatie, herstructurering en ander managementgelul, waardoor ze onoplettend tegen een bolder reed en halsoverkop in het Willemdok viel, waar haar val en haar nek werden gebroken door een aanlegsteiger voor plezierjachten. De Bird bleef roerloos naast de bolder liggen. Shanti en ik lachten ons te pletter, kregen de Bird in de gaten, wisselden een blik van verstandhouding uit en reden weg met de deelstep.

Omdat het onding belachelijk traag reed besloten we hem te demonteren. Shanti danste rond de onderdelen, bestrooide het ensemble met kattenhaar dat ze in een zakje om haar hals bewaarde, declameerde luttele aloude Afrikaanse spreuken en sloot haar ritueel af door op het achterwiel te urineren. Vervolgens staken we de Bird terug in elkaar en scheurden tegen 45 km/u de stad uit.

De pret was echter van korte duur, daar we op een jagerspad, in een bocht naar de Schelde, nauwelijks een botsing met een scooter konden vermijden. Wij maakten een noodlanding in een bosje varens. De scooter daarentegen kwam onzacht ten val op het asfalt van het jachtpad. De bestuurder stond recht. Hij was een kaalgeschoren, breedgeschouderde johnny die eruit zag alsof zijn hersenen in zijn armen waren gezakt. Uit zijn hoofd liep een straaltje bloed. Hij inspecteerde zijn gehavende tweewieler, vloekte luidkeels, zwaaide met zijn armen en begon ons uit te schelden. Hoer! Negerin! Homo! Zijn woordenschat was onuitputtelijk.

Maar Shanti is geen negerin om zonder handschoenen aan te pakken. Ze krijste. Haar dreadlocks kronkelden in de lucht als het slangenkapsel van Medusa. De man deinsde achteruit. Toen tilde ze de Bird in de lucht en sloeg de step keihard op het lege hoofd van de jongeman, die morsdood op de grond viel. 

We maten de schade op. De Bird zat vol blutsen en bloed. We trachtten de rommel terug aan de praat te krijgen, maar tevergeefs: de step was perte totale. Daarop besloten we het voertuig en het johnny-kadaver in de Schelde te smijten. 

Een uur later kwamen we te voet aan in ons appartement aan de Dam. We namen een Cara Pils uit de ijskast, staken een sigaret op en vielen in de zetel, waar we eindelijk terug onszelf konden zijn: werkloos, Bird-loos, chronisch onhip en volmaakt gelukkig.

I’m not here


Met hoornachtige handen over zijn gezicht gevouwen tilt Ludo zijn hoofd op uit het kille water. Hij spreidt zijn vingers om twee tintelende pupillen te laten staren naar het vuile water dat in de afvoer loopt, en in zijn kielzog zeeprestjes, harde huidschilfers en bloederige plukjes blond haar meesleept. De natte badkamerlucht stroomt snel en heftig in en uit zijn brede neusgaten. De pupillen trillen in een zee van dooraderd oogwit. Het ruikt er naar zweet en lavendelolie.   Ludo staat recht, laat zijn armen naast zijn lichaam slingeren en sluit de ogen. De dromen zijn te hard, te grafisch, kleverig als zuignappen die hem opslorpen in zwarte gaten van de zeventiger jaren, de goede jaren; goede drugs en nieuwe zeden op alternatieve feesten; zomerse liefdes en mooie jongens, die er uiteraard nooit zijn geweest.

Hij probeert zich te herinneren wat ooit is gebeurd, maar strandt in de duisternis. Hij opent zijn ogen. Net op tijd om te aanschouwen hoe de afvoer het laatste restje zeepwater opslurpt. Maagdelijk wit, alles is maagdelijk wit.
Hij kijkt naar zijn mompelende spiegelbeeld: ‘I’m not here. I’m not here.’ Na zijn ochtendpilletje zakt hij weg in een kussen van etherwatten.

Niet veel later sluipt hij in donkerblauwe overall en bruine werkschoenen door de gang op de zesde verdieping van het studentenhuis Sint-Augustinus. Een flinterdunne decemberzon schemert door de brede, bestofte ramen. Vanuit een kamer aan het einde van de gang klikt hypnotisch het ruisen van een openstaande douchekop. De enig overgebleven student op deze etage. De anderen zijn reeds lang teruggekeerd naar het ouderlijke huis, waar ze zich voorbereiden op de examens.
Met minuscule, schokkende stapjes dwarrelt hij over de roodbruine tapis-plain. Aan zijn rechterklauw bengelt een oud gereedschapskistje. “Heel zachtjes”, zing hij fluisterend, hinnikend als een speels veulen: “Geen kreetjes en geen lachjes.”

Geruisloos opent hij de branddeur naar de gemeenschappelijke badkamer, en blijft staan voor een douchecabine, waar onophoudelijk een straal warm water stroomt over een slank jong lichaam, waarvan Ludo enkel de achterkant te zien krijgt. Slaafs verlangen stuurt zijn blik naar de contouren van het begeerde, door waterslierten en mat glas gefilterde achterwerk. Hij zet de ijzeren kist op de natte tegels, en neemt er een phillipsschroevendraaier uit. Zijn handen trillen als een koortsig kind. Zijn hongerige ogen jagen over kuiten en dijen, langs het glooiende dal waar zijn ruggengraat rust, naar het mooie, het gruwelijk mooie, blonde hoofd van een achttienjarige jongen.

‘Hij is zo jong’, fluistert hij, terwijl hij de deur van de cabine opent, ‘Zo jong en zo mooi.’.

De jongen draait zich om. Zijn mond valt open, terwijl in diens blauwe ogen projecties oplichten van goede tijden en zomerse liefdes, slechte drugs en nieuwe zeden. Ludo ziet zijn spiegelbeeld in het maagdelijke oogwit van de jonge student, die kokhalzend kijkt naar de oude handen, met het aangekoekte bloed onder de klauwen, de korstige vlekkerige huid, en de vingerknoken die een schroevendraaier omklemmen waarmee de oude conciërge met enkele heftige stoten spieren verscheurt en botten doet knappen als lucifers van minderwaardig hout.

De jongen schreeuwt, schuift uit in de douchekabine, in een stroom van bloed en warm zeepsop dat een uitvlucht vindt in de afvoer.

De deur van de badkamer zwaait open. Professor Herman Verrycken, de jezuïtische directeur van de residentie, betreedt het decor als een ware deus ex machina, een duivel uit een metalen doosje.
‘Ludo!’, roept hij, als door de hand Gods geslagen, ‘Wat is hier verdomme aan de hand?’
De conciërge loopt de professor tegemoet en legt zijn bloedende, verscheurde hand op de schouder van diens maatpak.
‘Het spijt me, meneer Verrycken! Het spijt me zo.’, antwoordt Ludo, ‘Maar hij is zo jong. Zo jong en zo mooi.’
De professor fronst, trekt zich terug en laat de hand van zijn vest glijden als een dode vogel die van een stok valt, een spoor van wild vlees en botsplinters achterlatend. Hij loopt in een wijde boog om Ludo heen, naar de cabine met de lopende douchekraan, waar een blonde student met opgetrokken knieën zit te rillen als een pasgeboren crackbaby. De jongen kijkt hem aan met ogen van een zieke hond.
‘Wat is er gebeurd?’, snauwt de kale jezuiët.
‘De schroevendraaier.’, stottert de puppy, ‘Hij stak ze gewoon in zijn hand.’

Professor Verrycken helpt de jongen overeind, maant hem aan om zich aan te kleden, haalt zijn GSM uit zijn broekzak en toetst het noodnummer. Als hij plots opnieuw de natte gerafelde klauw op zijn schouder voelt rusten, kijkt hij op van zijn scherm. Hij staat oog in oog met de oude conciërge, die de rode schroevendraaier op buikhoogte houdt. https://observatiesuithetondermaanse.wordpress.com/?p=2939

Een laatste uithaal, laatste woorden, met gesloten ogen: ‘I’m not here.’

29 januari 2019

Pieter Van der Schoot


Giovanni da Modena, Inferno
Giovanni da Modena, Inferno

Belofte maakt schuld


‘Come play my game
Inhale, inhale, you’re the victim’

Lander plant zijn achterwerk in een knellende, zwarte fauteuil van een Antwerps herenhuis. Zijn gastheer biedt hem een wodka aan. Hij omklemt het glas met beide handen en nipt ervan als een kozak die uiensoep drinkt tijdens een Siberische nacht.
De man inspecteert hem zorgvuldig: van de blonde golfslag in zijn haren tot de lange, witte tenen die naakt en onrustig wriemelen op het laminaat. Zijn opengesperde ogen verslinden elk detail van zijn jonge gast: de kuiltjes in zijn wangen; de afgemeten wenkbrauwen; de lange, bijna vrouwelijke wimpers; de pupillen die alle kanten opschieten in het blauwe water van zijn irissen; maar vooral de suggestieve glooiingen – rustend als lava onder het grijze oppervlak van Landers jogging.
De aanwezigheid van de man doordringt hem als de lijfgeur van een wolfshond. Duizend sensaties vechten om aandacht. Het tropische aquarium in de hoek; de antieke kabinetkasten; het wodkaglas dat hij steeds vaster klemt om het niet uit zijn klamme handen te laten vallen; en uiteraard de vicieuze gedachtegang met dezelfde conclusie: Je doet het voor haar, je doet het voor haar.
De man legt zijn klauwen op Landers knieën, kruipt opwaarts en kneedt zachtjes zijn dijen. De aanraking jaagt een stroomstoot door zijn benen. De man spijkert hem vast met ijzeren pupillen en glimlacht.
‘Ben je er klaar voor?’
De jongen ademt langzaam en diep, als een potvis die een laatste hap zuurstof slikt voor de grote duik in de diepte.
‘Je weet wat we hebben afgesproken?’, stamelt hij.
‘Uiteraard!’, roept de man, ‘Belofte maakt schuld.’ Met beide duimen masseert hij de zachte handen. Als schuurpapier, denkt Lander, het krast als schuurpapier. 

De grijsaard staat op, verplettert de dunne vingerkootjes in zijn klauwen en sleurt zijn prooi naar het adelaarsnest op de eerste verdieping, waar hij hem neergooit op een pas gedekt dubbelbed. Lander zakt weg in drijfzand. De oogleden met de lange wimpers laat hij als rolluiken dalen.
‘Doe het voor haar’, prevelt hij, ‘Doe het voor haar.’
Het beest ontbloot zich. Zijn lichaam rijst op als een berglandschap, op de hellingen begroeid met een oerwoud van krulharen. Grommend en snuivend, bezeten door ondergrondse machten rukt het dier de kleren van het jonge lijf, werpt zich op zijn avondmaal, en perst alle lucht uit zijn longen.
‘Doe het voor haar’, piept Lander, ‘Doe het voor ons.’
Met beide klauwen spijkert de man hem aan het bed. De ene hand trekt zijn hoofd bij de haren naar achteren, terwijl de andere zijn scrotum omklemt als een tang die het weke hoofdje van een puppy wil verbrijzelen. Lander opent zijn mond. Een warmbloedige naaktslak kruipt over zijn lippen en roert zijn tong. De muil van het beest smaakt naar as en alcohol.
Een mantra galmt door Landers hoofd: Voor jou, Elke. Ik doe het voor jou.
Hij projecteert haar beeltenis op zijn oogluiken: haar tanden, wit als antieke ivoorsculpturen; haar gave borstjes; de blos die op haar wangen verschijnt als hij de symmetrie van haar lichaam prijst. Hij ziet het allemaal in de plooien van zijn verduisterde netvlies.
‘Voor jou’, kreunt hij, terwijl de projectie haar lippen perst en het beest zijn nagels steeds dieper in de weke huid rond zijn balzak plant.
De klauw laat zijn ballen los, opent de ritssluiting van een marineblauwe broek en ruimt baan voor een purperen geslachtsdeel dat een oorlogsmars slaat op Landers strakke buik, alvorens een schuilplaats te vinden tussen het natte dekbed en Landers achterwerk.
De paarse stormram beukt in zijn ingewanden; de naaktslak doorploegt zijn gehemelte, en als een gekluisterde in een grot staart Lander naar de blonde muze op zijn netvlies. Sputterend bereikt hij het voorgeborgte van de hemel, waar vormen versmelten, beelden uiteenspatten en het grijze beest de gelaatstrekken aanneemt van het meisje in zijn hoofd.
‘Toon me dat jongenskutje’, gromt het beest. Even bruusk als hij gekomen was verlaat de naaktslak zijn mond; hij laat een slijmspoor achter op zijn kin, zijn hals, zigzaggend over zijn borstkas, van het ene stijve tepeltje naar het andere, over zijn buik; hij trekt neerwaarts, waar twee kolenschoppen van handen zijn benen optillen, en het beest een zicht bieden op de gespannen dijen, de opengesperde billen en daartussen de braakliggende leegte die schreeuwt om een herbestemming.
De slak glipt zijn achterpoort binnen. Spoedig krijgt hij het gezelschap van een paar kille vingers. Lander voelt de nagels over zijn darmwand schuren. De slak trekt zich terug. De man propt zijn hele vuist in Landers anus.
Lander knijpt zijn ogen dicht, zo hard dat elke projectie verbrijzelt. Het monster brult. Met zijn vrije hand knijpt het in de paarse stormram, die zich van hem losrukt en een waterval van teelvocht over Landers billen braakt. Het roofdier werpt zijn hoofd naar achteren; het schreeuwt en krijst – verslagen, onderworpen aan onderaardse machten. Hij trekt zijn vuist terug en Lander loeit als een moederolifant die een kalf ter wereld brengt. Zijn vochtverlies schiet tot boven zijn kin, waar het een bitterzoete geur verspreidt.
De man blaast stoom uit zijn neusgaten; in de straten van Zurenborg klinken schaterende dronkaards, rammelende tramstellen, sirenes, het geluid van brekend glas; en een luide klap – als van een dichtslaande deur. 

De voordeur.
‘Rudi, ik ben thuis!’

Lander trekt zijn oogluiken op. Wit licht valt op zijn netvlies.
‘Kleed je aan!’, blaft de man, die niet langer moeite doet om zijn buik in te trekken. Als een onderhuidse grondverzakking doet zijn trillende pens het berglandschap in elkaar stuiken. De paarse stormram verandert in een lekkend kraantje.
Lander baadt in het zweet. Hij is koortsig en nat, poedelnaakt in een ijzig vacuüm. Hij kijkt naar de kale kruin en de plukken vacht die op de rug en de borst van de man lijken te kleven. Zijn jichtige luciferbeentjes kunnen ternauwernood het schaamdeel verhullen dat als een gerimpelde, natte sok tegen zijn dijen kletst.
‘Een beetje sneller verdomme!’, roept de grijsaard.
Lander kleedt zich aan. Met de rug van zijn hand veegt hij het zaad van zijn mond, als plots een peroxideblond walrusvrouwtje in de deuropening verschijnt. Haar borsten knellen koppig in een blazer voor anorexiamodellen. Op haar gezicht heeft ze een laag make-up geplamuurd.
Ze werpt een blik op haar man, zijn losgeknoopte hemd en de vochtplek in zijn broek, en begint te huilen. Haar lippen trekken samen tot een pruilende, bloedrode schotwonde. Een dam van eyeliner bezwijkt onder haar tranen.
Lander sluit zijn broek. Hij hoopt dat de walrusteef zijn eikel niet heeft gezien. Maar de vrouw negeert hem en loopt recht op haar man af.
‘Het is niet wat je denkt, Carla’, sputtert Rudi, ‘Het is een misverstand. Deze jongen, deze jongen …’
Met haar valse vingernagels krabt ze in zijn gezicht. Dan trekt ze een kast open en met een aangeboren talent voor theatraliteit werpt ze zijn kleren uit het venster. Rudi hapt naar adem als een gestrande potvis.
Maar de schandvlek op de huwelijksfoto, de katalysator van al deze relationele ellende verdwijnt van de scène. Lander ontsnapt op kousenvoeten uit het arendsnest, rent de trap af, glijdt enkele meters over het houten laminaat, en kan ternauwernood een botsing met het aquarium vermijden. Hij blijft staan bij een antieke salonkast, trekt een paar laden open en haalt vijf bankbiljetten uit een portefeuille van slangenleer.
‘Belofte maakt schuld’, mompelt hij alvorens het Zurenborgse herenhuis te verlaten onder een regen van smeltende sneeuw en mannenondergoed. 

***
Lander ligt naakt op het bed van zijn eenkamerappartement in Antwerpen-Noord. Hij wuift zich koelte toe met een stapel briefjes ter waarde van 1.200 euro. Naast hem ligt zijn iPhone met de volumeknop in de hoogste stand. Psychedelische technobeats knallen in zijn oren. De sms naar zijn vriendin Elke licht op uit het gebarsten schermpje: ‘IBIZA, HERE WE COME!’
Lander is klaar voor de laatste filmprojectie van de dag. Hij laat zijn wimpers vallen en ziet zijn blonde engel verschijnen, perfect symmetrisch, met ivoorwitte tanden en de perfecte borsten, vakkundig afgewerkt met tepels scherp genoeg om iedereen te doden die Lander van haar wegneemt.
Lander voelt de warmte tussen zijn benen. Hij fluistert.
‘Voor jou, Elke. Ik deed het voor jou. Belofte maakt schuld.’

Henri de Toulouse-Lautrec, De Sofa
Henri de Toulouse-Lautrec, De Sofa

Free to choose?


Zaterdag 19 januari 2019 was een dag om nooit te vergeten. Na lange, donkere maanden klaarde het firmament op. De prille voorjaarszon verblijde de kakelwitte wintergezichten van de uitgelaten soldenshoppers. Mijn moeder vierde haar zestigste verjaardag in een poepchique restaurant in mijn Kempische Heimat op de purperen hei. En ik werd wakker met het vaste voornemen om een rolmeter te kopen in het centrum van Antwerpen. Een ijdele onderneming, want in onze shopzieke Metropool is alles te koop, behalve wat je echt nodig hebt.

De eerste halte van mijn queeste was de Delhaize. Maar nog voor ik de Grote Supermarkt aan de Meir bereikte, werd mijn zoektocht danig in de war gestuurd door een ge-automobiliseerde colonne marktgangers en soldenshoppers uit het vlakke Vlaamse land die een file veroorzaakte op de Antwerpse ring, de Leien, het Theaterplein en zo tot aan Hopland, waar ook mijn eerste bestemming lag. Minstens drie dozijn keer werd ik op mijn bescheiden tweewieler opzij getoeterd, neergebliksemd, plat gescholden of simpelweg dood gestaard door imbecielen, wier abominable rijgedrag merkwaardig genoeg wordt aangemoedigd door het politieke uitschot dat het ooit raadzaam vond om een paar hectare ondergrondse parking te graven in het historisch centrum van Antwerpen, op slechts een paar honderd meter van een station, dat zo groot is dat het in de volksmond wel eens de Spoorkathedraal wordt genoemd.

Toen ik na eindeloos getoeter en gescheld eindelijk mijn fiets had vastgeketend in een fietsenstalling kon de eigenlijke zoektocht beginnen. Die helletocht bracht me niet enkel in de Delhaize, maar eveneens in de Action, Kruidvat, Hema, Blokker, MediaMarkt, Ava en nog een stuk of 26 andere winkels, waar ik kon kiezen uit 96 verschillende soorten inpakpapier, 35 parfummerken, 38 pas uitgebrachte kookboeken van steeds dezelfde 5 TV-koks die elke Vlaming lijkt te kennen behalve ik, 346 variëteiten iced tea, 391 soorten thermisch ondergoed, 13 varianten zoutkristallen uit de Dode Zee, en minstens 5.000 verschillende dieet-, proteïne- en vitamineshakes.

Elke menselijke onlust werd op zijn wenken bediend tijdens dit festival van de overdaad. Moeren, hamers, schroevendraaiers en rolmeters schitterden echter in afwezigheid in dit zelfbenoemde centrum van de wereld. Blijkbaar zijn duurzame werktuigen te banaal voor de terminaal hippe Metropool.

Vier uren na het begin van mijn queeste was ik tientallen euro’s armer, maar een rolmeter had ik nog steeds niet. Mijn hersenpan implodeerde onder de constante druk van de penetrante parfumlucht, het eindeloze geleuter, de verkeersopstoppingen, de krijsende mensenlarven, de hondenstront, het afval, het fijn stof, de ozon en de kleinburgerlijkheid van de consumerende kudde die zich op zaterdagen als de deze op Antwerpen stort als een Pruisische bezettingsmacht.

Ik keek op mijn horloge, beschouwde de stand van de zon, overliep de resterende opties in mijn hoofd, en keerde huiswaarts —verslagen, verloren, zonder geld en zonder rolmeter. Overmaatse winkelzakken van Benetton, Fnac, Vans en Ici Paris XL bengelden in mijn handen. De avondlijke soldenzon doofde in mijn gezicht als assen in een dikke laag sneeuw. En toen ik even later mijn voordeur opende werd ik verteerd door een intens verlangen naar een wereld zonder keuzes, naar de Sovjet-Unie — het Land van Ooit, het Rijk van Juist Genoeg, waar een mens in alle rust en vrede kon shoppen, al was het maar omdat je al blij mocht zijn als er iets in de rekken lag.

Stadsfeestzaal
Stadsfeestzaal

Rijmdwang


Geef me jouw billen als beloning
voor mijn zachte, vaste hand
en leidt mij nu in bekoring
jij wrede, wulpse bacchant

Geef me jouw borstjes in bewaring
zo zachtjes omwikkeld door kant
en schenk me snel een verklaring
voor het leed van mij, de man

En in ruil voor al die dingen geef ik
mijn hart op een schotel van tin

Gekruid, gebakken, versplinterd
verhit op een bodem van gin

Origafoundation [CC BY-SA 3.0 (https://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0)%5D